Familie Jaspers [338]

Le Toison d'Or (Brussel)

Vermogen € 46 035 000
Gekend als Architecten Jaspers-Eyers
Activiteit Architectenbureau en vastgoedbeleggingen
Inplanting Brussel
Huidige positie 338


De familie Jaspers van vader Michel Jaspers is in de eerste plaats gekend van het architectenbureau Jaspers-Eyers. Dat realiseerde belangrijke projecten zoals het Wijnegem Shopping Center, de nieuwe Belgische ambassade in Tokio of nog de nieuwe ambassade van de oliestaat Qatar in Brussel. Maar toch is voor de familie de investeringsvennootschap Arch-Invest belangrijker. Daarin groepeert de familie haar belangrijke investeringen in vastgoed waaronder onder meer het project Espace Jacquemotte in het Brusselse centrum. In 2009 kwam Arch-Invest in opspraak door Jean-Marie Dedecker die het bedrijf deel liet uitmaken van een constructie rond Jean-Jacques De Gucht. Dat bleek ten onrechte te zijn, maar ondertussen liep het bedrijf wel in het oog van de fiscus. Die startte een onderzoek op.

Blijkt dat tussen 2001 en 2006 de regering-Verhofstadt massaal overheidsgebouwen verkocht om de begroting op te smukken. De familie Jaspers deed in oktober 2003 een bod op zes overheidsgebouwen van Financiën en Justitie in Veurne, Boom, Brugge, Luik, Aarlen en Chimay. Prijskaartje: 44,9 miljoen euro. Goed voor een huurcontract van 18 jaar met de Belgische staat. Het bod werd aanvaard, maar er werd een constructie opgezet. Officieel was het de pas opgerichte firma Redeba Invest die de aankoop deed, zo wist de Tijd te melden. En de officiële oprichter van die firma was niet de familie Jaspers, wel de echtgenote van hun bedrijfsrevisor en de Ierse firma Banner Mobilfisc. Al een maand later, na het bod, namen de drie zonen Jaspers de aandelen van de firma over. Ze betaalden slechts 19.800 euro voor de 198 aandelen van Redeba. Nochtans had de firma zopas zes overheidsgebouwen gekocht. Nog geen drie jaar later, op 28 juni 2006, brachten ze de aandelen voor liefst 30 miljoen euro in in de familieholding Arch-Invest. Volgens de familie ging het daarbij om een gewone meerwaarde op aandelen waarop geen belasting is verschuldigd. Maar volgens de Bijzondere Belastinginspectie behoort dit niet tot het ‘normaal beheer’ en moest op die meerwaarde wel degelijk belastingen worden betaald, iets waar de rechtbank in volgde.